Om me uit de veren te krijgen, is geen wekker nodig. Daar zorgt Honoré wel voor. Bij het krieken schoffelt hij zich steevast onkruid wiedend een weg door mijn tuin en zijn laatste werkuurtjes. Tot volledig bewustzijn kom ik doordat de buurt dit ook doet. Krakende plankendeurtjes duiden op vroege vogels. Het zijn huisvrouwen die verse eieren wegbrengen of van het vet glimmende donuts ophalen. Exact om zeven passeert de houtskoolman. Zijn repeterend geroep is voor mij het signaal om op te staan. Niet omdat ik zijn roetzwart koopwaar nodig heb. Het is gewoon een bekend signaal voor me. Honoré blijft altijd nog wat kletsen; de voorbije nacht evalueren. ‘Er was weer geen gevaar vannacht,’ stelt hij me dan gerust. En af en toe volgt er iets als: ‘Maar ik heb een schaar nodig om het gras te knippen.’ Dan geef ik hem geld en hij smiest hem naar de markt. Ik zet koffie en lees de krant. Daarna bekijk ik mijn agenda. Want ik moet per slot van rekening een bedrijfje draaiende houden.
Tegen de middag heb ik de agendapunten die me aan mijn bureau kluisteren meestal afgewerkt en maak ik me klaar om de stad in te gaan. Na de houtskoolman is ondertussen ook het avocadomeisje en de jehovagetuige langs geweest. Die laatste gelukkig zonder repeterend geroep. Ik groet de verzamelde pousse-pousse trekkers (sic) bij de hoek van de Rue Voltaire. Zij weten ondertussen dat ik liever wandel dan me te laten trekken en groeten vriendelijk terug. En ville bezoek ik instanties als de bank, de post of een van de overheidsdiensten. Soms heb ik er een afspraak met een partner uit Antananarivo die toevallig ons stadje passeert. Telkens weer valt me dan de clichématige stress van de hoofdstadbewoner op en prijs ik me gelukkig dat ik in deze ietwat overzichtelijkere omgeving ben gevestigd en mag werken. Van avocadomeisjes hebben de grootstedelingen trouwens ook nog nooit gehoord.
De eerste keer dat ik warm gemaakt werd om een bedrijfje te beginnen was twintig jaar geleden. Een fellow backpacker, die ik ontmoette in Phnom Penh, stelde voor om braderijen en festivals in Europa af te schuimen met Aziatische prullaria om hiermee een hoger doel te financieren: woord en beeld reportages maken van Istanbul tot Vladivostok en ze publiceren. Een andere keer dat ik werd verleid tot het zelfstandig ondernemerschap was toen, enkele jaren geleden, een collega met het plan kwam een vennootschap op te richten. Zijn hersenspinsel zou het ons mogelijk maken om wars van platte commercie en mainstream, onze creativiteit los te laten op het ontwikkelen van avontuurlijke reizen op niet zo voor de hand liggende bestemmingen. Beide keren was er aan enthousiasme geen gebrek, doch evenveel keren kwam er niets van in huis. De angst om vrijheid in te leveren bleek groter dan de zin in zelfstandigheid. Hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken.
Mijn dagelijkse tour de ville besluit ik graag met een biertje bij Raza. Tijdens de zomermaanden hebben ze daar bière blanche van ’t vat; als straks de ‘winter’ begint, schakelen ze over op een amber variant. De Belgische bazen van de vlakbij gelegen Brasserie Star zullen wellicht niet vreemd zijn aan deze smaakvolle keuzes. Naast gepraat over motorfietsen en paaskermis wordt er aan de toog ook wel eens naar mijn zaken gepolst. ‘Wanneer begint nu eindelijk het seizoen Frank?’ vraagt de barman op gezette tijden. ‘Als je me niet meer ziet, is het volop bezig,’ is meestal mijn vaag antwoord. De angst, die ik vroeger had, om vrijheid in te leveren als men ondernemer wordt, blijkt ongegrond. Want inderdaad, als straks het seizoen begint, zal ik weer veel on the road zijn. En in tegenstelling tot wat veel Europeanen denken, is Madagaskar 378 keer groter dan Zanzibar. Van eiland-claustrofobie kan derhalve geen sprake zijn.
Wordt vervolgd.

