Als het verkopertje bij de taxibrousse halte in Mopti me, nadat ik betaal voor mijn kolanoten, er nog wat extra geeft, kijk ik vragend in de richting van Habibou. Deze knikt onzichtbaar terwijl een subtiele grijns zijn gezicht verfraait. Nadat het ventje zijn ronde langs de wachtende forensen verder zet krijg ik verduidelijking. “Vrijdag is een dag van offers geven,” verklaart Habibou. “Niet enkel bij de moslims, ook bij de christenen en de animisten. Suiker, zout of kolanoten; het doet er niet toe, zolang je maar iets offert. Het hangt een beetje af van je persoon en leefwereld aan wie of wat je iets schenkt. Een vrome vader zal wellicht iets geven aan de talib, de koranleerlingen uit het klasje van zijn zoon, terwijl een plattelandsmoedertje misschien wat suiker strooit op het kruispunt van het pad dat naar haar dorp leidt. Het sjofele verkopertje van daarnet wilde waarschijnlijk jou een veilige reis toewensen en zichzelf een goede verkoop.” Ik kijk de kolanotenleurder na als hij het stationnetje uitloopt. Hij draait zich om en vangt mijn blik. Ik steek mijn duim op en hij glimlacht.
Schaamrood
Mijn uitzicht in de taxibrousse die ons naar het einde van Dogonland moet brengen is erg gefragmenteerd door het spinnenweb van barsten en scheuren die de voorruit siert. Hierover zeuren is echter het laatste waaraan ik denk als ik ietwat gegeneerd terugblik op alle moeite die Habibou zich getroost heeft om mij op de voorbank te krijgen. Het kostte hem redelijk wat overredingskracht maar uiteindelijk slaagde hij er wel in om mij naast de chauffeur van het gehavende voertuig te duwen. Iets later moet ik me dichter naar de bestuurder schuiven als een vloekend en kuchend, oud Fransmanneke zich bij op de passagiersstoel wurmt. Zijn rochelend protest dimt echter als hij een sigaret opsteekt. Hij kucht nog even na en offreert me er zelfs een. Ik weiger beleefd. Als ik me omdraai en achterin het busje kijk zie ik een kluwen van djellaba’s en tulbanden, gewikkeld rond een vijftiental mannen, vrouwen en kinderen die zich zo comfortabel mogelijk op de tegen de metalen wand geschroefde houten planken proberen te nestelen. Tussen al dat geweld herken ik een breed glimlachende Habibou. Ik grijns een beetje zuur terug terwijl het schaamrood mijn wangen kleurt.
Termieten
De Dogon, had Habibou me wel eens uitgelegd, geloven dat de aarde, de zon en de maan geschapen zijn door een mannelijke god genaamd Amma. Deze bevruchtte de vrouwelijke aarde waarna zij een slangachtige tweeling baarde die ze de Nommo doopte en die sindsdien als geest leeft in alle meren en rivieren. Een volgende copulatie tussen Amma en de aarde resulteerde in twee mensen, een vrouw en een man, die op hun beurt het leven schonken aan acht kinderen. Deze worden door de Dogon beschouwd als hun voorouders. Als een Dogon een vrijdagoffer wil brengen, merkte Habibou op in de taxibrousse halte voor we begonnen aan onze schaamteloze actie om mij op de voorbank te krijgen, doet hij dit voor een termietenheuvel. De Dogon geloven immers dat termieten elke dag een graantje mee nemen tot bij de grondwaterspiegel om het daar te offeren aan de Nommo. Als we enkele uren later over de rode laterietwegen van Dogonland scheuren, speur ik door de gekrakeleerde voorruit en de blauwe rook van monsieur naast me, naar termietenheuvels. Als ik er eentje zie gooi ik er een kolanoot naartoe, neem ik me voor.
Ernest
Ernest, de Frans krakende senior naast me op de voorplecht van de taxibrousse tussen Mopti en Koro, blijkt nog de slechtste niet. Excentriek is hij des te meer. Het kettingroken dat hij bezigt verdient respect. Het heeft iets machinaal; als een kettingzaag, zeg maar. Hij gaat gekleed zoals vrijwel alle oude blanke mannetjes in de tropen: een klassiek beige pantalon met vouw, opgehouden door een plastic riem, met daarboven een wit hemd. Naarmate de tocht vordert wordt zijn blouse roder. Om nog maar te zwijgen over zijn opzij gekamde, witte haarstrengels. Op een zwart schoudertasje van namaakleer na heeft hij geen bagage bij zich. Hoewel hij de chauffeur regelmatig een sigaret aanbiedt, houdt hij het pakje angstvallig in zijn met bruine vlekken gelardeerde, skeletachtige knuist gekneld. In de andere hand heeft hij twee verweerde mobieltjes die constant afgaan – allebei een ander muziekje. Hij weigert echter halsstarrig de binnenkomende oproepen te beantwoorden. “Ils comprennent rien,” kucht hij, “je veux pas parler, c’est clair, no? Het is het kliniekje in Sevaré, ze hebben me weer nodig, nu ben ik echter en route et je ne repond pas. Ils savent ça!” De minimum zeventig jaar oude, kettingrokende man naast me blijkt de leidinggevende arts van het district Mopti te zijn.
Koro
Koro is het laatste plaatsje in Dogonland voor de grens met Burkina Faso. We arriveren er na vierenhalf uur stof happen. Het is tevens de eindhalte van ons transport. Habibou laat zich niet kennen en schiet onmiddellijk in actie. In met Frans gesaust Bambara onderhandelt hij met een schijnbaar ongeïnteresseerde taxibrousse eigenaar. Onze positie is niet gunstig en de transporteur weet dat. Hij zal alles doen om ons zoveel mogelijk te laten betalen voor zijn busje. Het is namelijk onze enige kans vandaag nog de grens over te geraken tot in het honderd kilometer verderop gelegen Ouahigouya, de eerste stad in Burkina. Habibou komt overleg plegen. “Luister Frank, die man wil dat de zeven passagiers die vandaag de grens nog over willen plus wijzelf, het hele busje betalen; dat zijn vijftien plaatsen. Nu weet jij zo goed als ik dat de zes lokale passagiers, ik reken ons en de Franse dokter even niet mee, nooit meer dan het voorgeschreven bedrag zullen betalen. Ze blijven hier nog liever in het zand slapen.” Ik denk even na en herinner me mijn schaamrood van eerder op de dag. Ik stap naar Ernest. Als ik hem voorstel dat we snel kunnen weg geraken als wij de kosten van de lege stoelen op ons nemen is hij gauw akkoord. “Il n’y a pas de problème,” kucht hij, een sigaret opstekend.

2 Reacties
Nu vraag ik me af . . .
wat was er eerder de kip of het ei:
of Hans met zijn muziek,
of Frank, jij in de bus.
Maakt ook niet uit, heb het muziekje aangezet en lekker gelezen.
Mooi geschreven,
Have fun
Anke
als ik je lees, is het net of ik zit ook in da buske,,,, prachtig