De Wandelaar – deel 3 – Goede Hoop

April 26, 2010 – 6:55 pm

Waar vroeger galjoten zich verscholen en vervolgens vergingen, drijven nu in wetsuit ingepakte beach boys, plat op hun ingevette bord, wachtend op de tube die hen spectaculair en razend flitsend het witte zand van Diaz Beach kan op doen glijden. Waar vroeger strandjutters kostbare fossielen, kratten van een vissersboot, drijfhout of flessenpost verzamelden, plukken nu de door de zon gebronsde liefjes van de golfsurfers bruine algen uit de kelpbossen om er op het witte zand I Love 2010 mee aan te leggen. Spierwitte polyesterbootjes ronden dezer dagen, puur voor het plezier, de in beide oceanen uitstekende rotspartijen waarvan schuimend water aftraant en zeewier op achterblijft. Men noemt ze dan ook plezierjachtjes.

Het firmament zelve draait voortdurend rond, de zon komt op en gaat onder, de maan wast, sterren en planeten beschrijven hun vaste baan, de wateren bewegen in eb en vloed, ongetwijfeld tot hun behoud, om ons te leren dat we altijd in beweging moeten blijven. (+)

De Wandelaar zit vandaag op Kaap de Goede Hoop; een kaap die wel eens ten onrechte beschouwd wordt als de overgang van de Indische en de Atlantische Oceaan. De feitelijke plaats waar dit gebeurt is echter 200 kilometer oostelijker, bij Kaap Agulhas. De vergissing heeft waarschijnlijk te maken met de oost-west stroming van het warmere Indische oceaanwater dat Valsbaai invloeit, terwijl de rest van de Zuid-Afrikaanse westkust vooral lijdt onder de Atlantische zuid-noord stroming vanuit Antarctica. Omsingeld door kelp; de zee als woeste woestijn, mijmert De Wandelaar even over die twee roeiers zonder grenzen.

Tegen deze kwaal (melancholie) bestaat geen beter middel dan verandering van lucht, dan heen en weer te zwerven, zoals die Tartari Zalmohenses die in horden rondtrekken en zich laten leiden door tijden, plaatsen en seizoenen. (+)

Als je de wereldkaart ziet op klein formaat, A4 zeg maar, dan kan je met een naald precies dit punt aanstippen. Ik hou van die plaatsen. Ze zijn soms moeilijk te bereiken. Vroeger tenminste, toen galjoten nog vergingen en strandjutters het witte zand afstruinden. Ik kijk naar het noorden, ’t is twee uur ’s middags, de zon schijnt pal in mijn ogen.

Mijn gezondheid werd bedreigd. Doodsangst beving me. Dagenlang viel ik in slaap en als ik wakker werd, gingen de dromen door. Ik was rijp voor de dood. Mijn zwakheid voerde me langs een route vol gevaren naar de rand van de wereld, naar Cimmerië, het land van zwarte mist en windhozen. Ik werd gedwongen tot reizen, om de spoken uit mijn geest te bannen. – uit Une saison en enfer van Arthur Rimbaud. (+)

Ik keer terug naar de haven. Een nieuwe reis wacht. Honingzuigers en spreeuwen met rode vleugels wijzen me de weg. Ik denk aan oude scheepvaartroutes, Portugezen die enkel een rust- en recreatiestation opzetten, de Amersfoort die zinkt, schipbreukelingen die overleven op een stuk grond dat ze de tuin van de Compagnie dopen en pinguïns die balken als ezels.

Diogenes. Hij woonde in een ton. Hij at rauwe inktvis en lupine. Hij zei: ‘Kosmopolites eimi.’ ‘Ik ben een burger van de wereld.’ Hij vergeleek zijn omzwervingen door Griekenland met de trek van de ooievaars: naar het noorden in de zomer, naar het zuiden om de winterkou te vermijden. (+)

Elandantilopen en bontebokken grazen langsheen het fynbos waar de protea moeite doet. Ik keer weer terug naar Tafelbaai, waar een nieuw avontuur dat me noordwaarts zal brengen op me wacht. Ik heb goede hoop.

(+) uit de Moleskine notities van Bruce Chatwin.
Lees ook: De Wandelaar – voorwoord, deel 1 en deel 2.

Een reactie plaatsen

Je email-adres wordt niet gepubliceerd of doorgegeven aan derden.
Verplichte velden zijn aangeduid met *

*
*