Iets meer dan een jaar geleden – zittend bij een kampvuur dat in collaboratie met een zacht windje een schimmenspel toverde op de donkere bast van de omstaande apenbroodbomen – luisterde ik met open mond naar het verhaal van Lambert. Lambert was een gepensioneerd militair. In de zestiger jaren was hij een enthousiaste jonge officier die pelotons en compagnies commandeerde. Hij hield van zijn job maar toch miste hij iets. In hartje koude oorlog werd Lambert door zijn oversten naar school gestuurd om er zich te bekwamen in alle dingen Russisch. Iets in hem zei dat deze nieuwe wending hem op het pad zou brengen waarover hij echt verder wilde. Lambert wist toen nog niet dat hij eigenlijk een stereotypisch voorbeeld van een Wandelaar was.
Veel van de door mij bewonderde grootwandelaars waren in eerste instantie militairen. Een mooi voorbeeld hiervan was de excentrieke Britse officier Richard Burton (1821 – 1890). Niet lang nadat hij op zijn eerste standplaats in Brits India arriveerde kreeg hij een afkeer van het bekrompen establishment en ontvluchtte al snel de salons en clubs die zijn collega’s frequenteerden. Met de hulp van zijn knecht integreerde hij zich in het leven van de Hindoestanen en leerde enkele lokale talen. Deze kennis, samen met de gewoonte zich te vermommen, maakte dat hij later succesvol spionageopdrachten uitvoerde in Sindh en aan de voor ongelovigen verboden pelgrimstocht naar Mekka deelnam. Zijn bekendste wapenfeit als grootwandelaar leverde hij af als leider van een expeditie naar de binnenlanden van Afrika om er een door Arabische slavenhandelaren beschreven binnenzee te bereiken.
Elke nomadenstam is in aanleg een militaire organisatie die, als hij niet in gevecht is met andere nomaden, instinctief geneigd is om de stad te bedreigen of te plunderen. Daarom hebben sedentaire volkeren sinds het begin van onze geschiedenis nomaden gerecruteerd als huurlingen; of om een dreiging van andere nomaden af te wenden, zoals de Kozakken voor de tsaren tegen de Tartaren vochten; of, als zo’n dreiging niet bestond, om andere Staten te bevechten. (+)
Een recenter voorbeeld van een soldaatwandelaar is Gerald Hanley. Deze Ierse man van letteren en reizen werd gevormd tijdens zijn militaire missie in Somalië tijdens de tweede wereldoorlog. In een periode dat vele van zijn collega’s vanwege heimwee, eenzaamheid en uitzichtloosheid zelfmoord pleegden, ontwikkelde Hanley een voorliefde en bewondering voor de trotse nomade en krijger en kreeg inzichten in de kwaliteit van het alleen zijn: ‘Echt alleen zijn is wanneer het meest rusteloze aspect van de mens, zijn drang naar te vergeten waar hij is, geboren op aarde om er ook weer te sterven, tot rust komt en luistert in een soort van vredevol compromis (…).’
Gerald Hanley begon de Somaliërs’ liefde om te vechten te begrijpen alsook hun tevredenheid over de dood. ‘Van alle rassen in Afrika,’ zegt hij, ‘kan er geen betere om tussen te leven zijn dan de moeilijkste, de fierste, de dapperste, de meedogenlooste, de vriendelijkste: de Somaliërs.’
In het oude Mesopotamië ontwikkelden deze ‘huurlingen’ zich eerst tot een kaste van militaire aristocraten en vervolgens tot leiders van de Staat. Je zou kunnen stellen dat de staat als zodanig het produkt was van een soort ‘chemische’ verbinding tussen herder en planter, toen men eenmaal besefte dat de technieken om dieren in het gareel te houden ook toegepast konden worden op een inerte massa boeren. (+)
Als Hanley op een gegeven moment in Somalië tegen zijn vriend en legerarts Humf zegt dat hij enerzijds graag tussen ‘die wolven’ leeft en het anderzijds ook haat, dat hij tijdens een achtentwintig daags verlof niet kon wachten om weer naar de wildernis terug te keren, knikte deze laatste en zei: ‘Dat is omdat je een romanticus bent, net als je vrienden. Jullie hebben een gemeenschappelijk eenheidsgevoel, een leven leiden dat enkel door een paar van jullie geleid wordt. Soms wordt het zo erg dat officieren enkel op verlof gaan als ze er het bevel toe krijgen. Met andere woorden, als je hard moet leven, leef dan het hardste mogelijk, met je vrienden. Dat is romantiek, en heel erg noodzakelijk in de strijdkrachten, uiteraard.’
Een verdere mogelijkheid – ook van toepassing op de speltheorie over oorlogvoering – is dat het leger, elk beroepsleger of oorlogsministerie, onbewust een stam van surrogaat-nomaden is, die is opgegroeid binnen de Staat; die leeft van de Staat; zonder wie de Staat uiteen zou vallen, maar wiens rusteloosheid uiteindelijk vernietigend is voor de Staat, doordat ze, als een horzel, voortdurend tracht de Staat te prikkelen tot actie. (+)
Eén nacht, toen Hanley achter de kamelen aan marcheerde, vroeg hij zijn Somalische bediende Mohamed of hij van dit leven hield. ‘Er is geen ander leven, Effendi,’ zei Mohamed, glimlachend. ‘Wat kan een man meer vragen dan jong, in goede gezondheid en vrij te zijn. Als de zon opkomt zullen we verse kamelenmelk drinken en gaan slapen, dan zullen we weer opstaan, bidden en eten, en dan lopen we weer verder. Ik ben tevreden.’
De woestijnbewoners staan dichterbij het goede dan sedentaire volken, omdat ze dichterbij de Primaire Staat staan en verder zijn verwijderd van alle kwalijke gewoonten die het hart van een gevestigd volk hebben vergiftigd. (+)
Nadat Lambert afstudeerde in ‘alle dingen Russisch’, werd hij als liaisonofficier op verschillende missies gestuurd, voor en achter het ijzeren gordijn. Hij begon dit solitaire leven, los van de verplichtingen en de sleur binnen pelotons en compagnies, heel aangenaam te vinden. Toen kwam de opdracht van zijn leven. Zijn oversten stuurden hem naar Angola waar hij waarnemer werd van de lokale conflicten zowel als van de koude wereldoorlog tussen oost en west, die hier de neiging kreeg ‘warm’ te worden. Hij verdiepte zich in het leven van de Angolese plattelandsbewoners en sloot al gauw vriendschap met velen. Met zijn Landrover reed hij naar de verste uithoeken van het land en bezocht hij – in burgerplunje – de meest primitieve volkeren. Hij zat met hen aan het avondvuur, deelde met hen de hut en hielp hen waar mogelijk. Zijn missie in Angola werd een persoonlijke zoektocht en hij wist dat hij deze op dit continent verder zou zetten.
Zijn laatste missie voor hij op pensioen werd gestuurd was als waarnemer in het Rwanda van na de genocide. De gruwelijkheden die hij daar moest beoordelen weerhielden hem er niet van zijn liefde voor het continent verder te ontwikkelen. Hierdoor zat hij, iets meer dan een jaar geleden, dan ook samen met mij aan het kampvuur, dat in collaboratie met een zacht windje een schimmenspel toverde op de donkere bast van de omstaande apenbroodbomen.
(+) Uit de Moleskine notities van Bruce Chatwin.
Gerald Hanley’s (en companen) quotes komen uit Warriors, wat een door Eland uitgegeven deel is van Warriors and Strangers uit 1971.
Zie ook De Wandelaar – Voorwoord en Talking Tuareg.







2 Reacties
Bubbels, bubbels and more bubbles…Happy drei keuningen Franky!
Mooi verhaaltje, Frank,
Met heimwee naar de Sawadee tour nov/dec naar Timboektoe zit ik wat te surfen, ook op deze website. ‘t Was fantastich Frank, Afrika moet wel blij zijn met jou…