Terwijl de eerste dagen van het Serengeti Nationaal Park vooral getekend werden door een groep naturalisten, biologen, goeddoeners en groen getinte politici leest de ontstaansgeschiedenis van het Selous Wild Reservaat eerder als een avonturenverhaal waarin ontdekkingsreizigers, slavenhandelaren, jagers op groot wild, legerofficieren, een excentrieke Koninklijke hoogheid en een gevaarlijk insect afwisselend de hoofdrol vertolken. In dit tweede stukje over de Selous leer je meer over de geschiedenis van het eerste beschermde natuurgebied in Afrika. Foto’s zijn zoals vermeld van voormalig gamescout Onno De Rover.
De eerste passanten
Burton en Speke trokken in 1859-60 doorheen wat nu de Selous is om verder in het Afrikaanse binnenland de bronnen van de Nijl te bepalen. Arabische handelaars zetten er kampen op om slavenkaravanen op weg naar de oostkust van het continent te verzamelen. Jagers uit vooral Duitsland en Engeland bezochten aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw het gebied om er trofeeën als kudu en olifant te schieten. Deze eerste passanten maakten in hun logboeken melding van een wildernis waar zeer weinig mensen woonden in erg geïsoleerde dorpen. Daarbij werd ook een opvallende afwezigheid van groot wild vermeld. Naar verluid zag de ontdekkingsreiziger Thomson, die toch een paar jaar in het gebied rondtrok, zijn eerste olifant in de zoo van Edinburgh.
Foto: Onno De Rover
Slagveld
In 1905 barstte de Maji-Maji opstand uit tegen het Duits koloniaal bestuur. Vooral zuid Tanganyika en meerbepaald het gebied rond de Rufiji rivier werd het toneel van deze acties. Tien jaar later keerde het oorlogsgeweld terug naar de wildernis die later het Selous Wild Reservaat zou worden. Aan het begin van de eerste wereldoorlog zocht het Duitse oorlogsschip ‘Königsberg’ beschutting in de delta van de machtige Rufiji rivier. De Engelsen kregen er lucht van en kelderden de kruiser na een binnenlandse zeeslag.
Foto: Onno De Rover
Jager – avonturier – officier
Frederick Courteney Selous dweepte als kleine jongen in het Londen van halverwege de 19de eeuw met de bekende ontdekkingsreiziger David Livingstone. In 1871 maakte hij zijn jongensdroom waar en vertok naar wat nu Zimbabwe is. Hij fungeerde er als gids voor Cecil Rhodes in de Matabele campagnes en vulde zijn schaarse vrije tijd met jagen en natuurhistorisch onderzoek. In 1915 bood hij zich op 64-jarige leeftijd als vrijwilliger aan bij The Royal Fusiliers in Nairobi om de Duitse Schutztruppe onder leiding van Generaal von Lettow-Vorbeck in Oost-Afrika te verslaan. Het Engelse bataljon slaagde erin de Duitse troepen tot in zuid Tanganyika te duwen. Bij een slag om de Beho Beho heuvels nabij de Rufiji rivier kwam de leidende compagnie onder kapitein Selous echter onder hevig geweervuur te liggen. Het was tijdens dit gevecht dat Frederick Selous het leven liet door een kogel in het hoofd. Het verhaal gaat dat de verantwoordelijke Duitse officier later bij de weduwe Selous zijn verontschuldigingen heeft aangeboden omdat hij een groot bewonderaar van de Engelse officier was en er enorm veel respect voor had. In 1922 doopte de Britse administratie dat het naoorlogse Tanganyika bestuurde het nieuwgevormde wildreservaat ‘Selous Game Reserve’. Selous’ graf is te vinden nabij de plaats van de veldslag.
Foto: Onno De Rover
Een keizerlijk initiatief
Dat Afrikaanse gebieden waar wilde dieren beschermd worden tegen jagers (en stropers) een Europees idee zou zijn is al lang achterhaald. Inheemse volkeren kennen reeds lang heilige bergen en gelijkaardige savannes en bossen waar jagen verboden is. Het eerste moderne Nationaal Park in de wereld was Yellowstone in de Verenigde Staten. Het eerste soortgelijke gebied in Afrika dat als bestemming onderzoek, toerisme en conservatie meekreeg was de Selous. Naar verluid zou zijne Majesteit, Kaiser Wilhelm II, jacht verboden hebben tussen de rivieren Mgeta en Rufiji om het gebied als speeltuin aan zijn vrouw te schenken. Of dit obscure verhaaltje waar is of niet, feit blijft dat in 1896 de Duitse gouverneur von Wissmann in opdracht van de keizer er een jachtverbod oplegde en het tot beschermd gebied uitriep, twee jaar voor Zuid Afrika hetzelfde deed in wat we nu kennen als het Kruger Nationaal Park. Al snel kreeg de nieuwe beschermde wildernis in zuid Tanganyika er in de onmiddellijke nabijheid zusterparken bij. Nadat de Engelsen deze in 1922 samenvoegden was de Selous officieel.
Foto: Onno De Rover
Venijnige vliegen en sterke stropers
In haar strijd tegen slaapziekte verhuisde de koloniale overheid van Tanganyika in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw de volledige bevolking uit de door tseetseevliegen geplaagde gebieden omheen het Selous Wild Reservaat. Om ervoor te zorgen dat deze niet terugkeerde naar de voor hun vee funeste regio verklaarden ze de streek al snel tot beschermd gebied en lieten ze het opgaan in het al bestaande park. De Selous groeide alweer in omvang.
Terwijl in het park het wild beschermd werd mocht er naar hartenlust geschoten worden buiten de grenzen. Dit zorgde voor een ernstige daling in vooral het olifantenbestand. Stropers kwamen ook te pas en te onpas het beschermde gebied binnen om hun slag te slaan. Om hieraan paal en perk te stellen stelde een handvol natuurbeschermers zoals de excentrieke Engelse jager Constantine Ionides en de Tanzaniaanse wildbeschermer Mzee Madogo voor om jacht toe te laten in het gedeelte van het park waar geen toeristen kwamen. Hierdoor kwamen er fondsen vrij om antistropers patrouilles in te zetten en de infrastructuur van het beschermde gebied te verbeteren.
Deze inkomsten vervielen echter toen de Tanzaniaanse overheid in 1973 een nieuw jachtverbod uitvaardigde. De jagers verdwenen en de stropers kwamen terug. Daarbij kwam nog dat grootse hydropower projecten op Stieglers Gorge duizenden arbeiders naar het gebied brachten waardoor vooral het neushoornbestand al snel tot quasi nul herleid werd. Door deze beslissingen werd de grootste crisis die het beschermde gebied van de Selous ooit kende ingeluid. En het ging maar door. In de jaren tachtig openden bulldozers kilometers lange corridors in het landschap op zoek naar olie waardoor het voor de stropers nog makkelijker werd diep in het park het kostbare ivoor weg te halen. Toen UNESCO in 1982 het gebied uitriep tot werelderfgoed was het olifantenbestand dat in 1976 nog 110000 telde geslonken tot ver onder de 30000.
Foto: Onno De Rover
Een nieuwe lichting
Halfweg de jaren tachtig stelde de Tanzaniaanse overheid een nieuwe jonge lichting van enthousiaste en goed opgeleide conservators aan. In samenwerking met organisaties als de Frankfurt Zoological Society, het Wereld Natuur Fonds en de African Wildlife Foundation konden ze het tij keren. Gecontroleerd jagen is weer toegelaten en brengt samen met het fotografietoerisme meer dan drie miljoen dollar per jaar in het laatje. Hierdoor heeft het management een corps van enkele honderden rangers kunnen opleiden en een baan geven. Er zijn bewijzen dat stropen in de bufferzones beduidend is verminderd ondermeer doordat de nieuwverworven fondsen de bewoners in de omgeving schadeloos kunnen stellen voor vernielde akkers door wilde dieren. Een nieuw project waar de positieve bewijzen reeds van zichtbaar zijn is de zogenaamde Selous-Niassa corridor die beschermde wildgebieden van zuid Tanzania en noord Mozambique verbind. Satelliet observaties hebben aangetoond dat oude migratieroutes van olifanten weer een feit zijn. In de Selous is het olifantenbestand nu tot een dikke ☺ zestigduizend gestegen.
Foto: Onno De Rover
Bronnen: Selous Game Reserve door Rolf Baldus en Ludwig Siege – Africa, A Biography of the Continent door John Reader.
Foto: Onno De Rover








4 Reacties
hoi Frank,,,,, prachtig geschreven,,,, leerrijk
en heel mooie foto’s
Je laat me op m’n honger zitten (goed zo!), waarom is dat park nu niet voor beginners??
Even geduld, ben maar net goed en wel in Bamako aangekomen.
Even een kleine aanvulling op meneer Thompson. Meneer Thompson was de “sidekick” van meneer Johnson. In die jaren was het gebied rond de Beho Beho Hills veel moerasachtiger dan wat we hedendaags kennen. In de verslagen wordt gesproken over een moeizame doortocht door dit gebied mede veroorzaakt door de vele waterpartijen. Meneer Johnson overleed dicht bij de Beho Beho Rivier en is daar begraven. Leuk detail is dat de nabestaanden een grafsteen voor hem naar dit gebied hebben gestuurd van (moet je voorstellen) 3000 Kg Marmer!! In de honderd-en-nog-wat jaren die daarop volgden heeft de Beho Beho zich verlegd en is de positie van het graf verloren gegaan. Nu nog steeds wordt er naarstig gezocht de de 3000 Kg wegende, marmeren steen. De Schottish Geographic Society stuurt elke paar jaar iemand om de steen te zoeken. Probleem is dat de mensen die wisten waar het graf lag (verwijderd uit het gebied in de jaren dertig) gestorven zijn met hun kennis. Goed, meneer Johnson is gestorven en heeft een berg(je) naar zich vernoemd gekregen: Mount Johnson.
Meneer Thompson is in die tijd vroeg in z’n twintiger jaren en biedt aan om door te gaan met de missie. Moet je voorstellen.. zo jong, onervaren, ongewapend tegen de vele ziektes in het land, de kleding niet geschikt voor de omgeving ( wat waarschijnlijk de reden was waarom Courtney Selous in z’n onderbroek jaagde) de plaatselijke bevolking vijandig vanwege de slavernij en een paar honderd man personeel. Moet men toch bewondering voor hebben. En het enige wat ons dagelijks aan de man herinnert is de Thompson Gazelle. Wat mij betreft niet het mooiste exemplaar van de Unguligrade familie.