“Ik ben een Bosjesman. Deze naam werd ons door Jan Van Riebeeck gegeven toen hij merkte dat we ons met boog en pijl vanuit de bosjes verdedigden tegen de oprukkende boeren met geweren. Blanke mensen noemen ons ook wel San. Dat betekent zoiets als mensachtig dier. Als je aan het begin van vorige eeuw informatie over ons wou opzoeken in de bibliotheek van een universiteit moest je ons vinden bij de zoogdieren. Niet in de boeken over antropologie, niet tussen de teksten over onbekende volkeren, maar ergens onder de B tussen bontebok en bosolifant. Tot iets na de eerste wereldoorlog mocht er door iedereen op ons gejaagd worden. Net als op gemsbokken en zebra’s. Eind jaren twintig kwam daar verandering in.
Toen besloot de koloniale overheid dat je een jachtvergunning nodig had om ons af te schieten. Net als bij leeuwen en olifanten. Als we in tijden van grote droogte ons genoodzaakt zagen zwakkeren en kinderen in de woestijn achter te laten werden dezen soms gevangen genomen door de blanke mensen en gehouden als huisdier. Net als met meerkatten of vervetaapjes. Die tijden zijn gelukkig voorbij. Jaren geleden zijn we door grootgrondbezitters en diamantbazen uit de beschermende Namib woestijn naar het noorden van Namibië verbannen. Daar mochten we assimileren met Bantoe stammen en verloren onze geelbruine woestijnkleur. Vroeger waren we klein om ongemerkt een oryx te besluipen, nu zijn we groot. Ons werd nooit gevraagd wat we wilden worden als we groot zijn.”
Sporen in het zand
“Het eerste dat we als peuter leerden was het herkennen van moeders’ voetafdrukken in het rode woestijnzand. Aan de hand van haar sporen voelden we haar nabijheid en wisten dat we ons geen zorgen hoefden te maken. Al snel werden we experts in het lezen van menselijke afdrukken. Een rennende jongeling of rustende jager, een aantrekkelijke deerne of mankende ouderling, geen spoor was ons onbekend. Een individu dat zijn sporen uitwiste was niet te vertrouwen, ook dat konden we in het zand lezen. De dieren op de duinen en in de vleien laten ook hun afdrukken achter. De torretjes rennen zeer snel om hun fragiele pootjes niet te verbranden. Hun snelheid genereert wind waardoor ze koel blijven. De inkervingen op hun schild dienen als waterverzamelplaats. De ochtendmist die vanuit de oceaan de woestijn inblaast condenseert op hun rug. Rennende muizen laten enkel voetsporen achter. Als het diertje even uitrust is ook een afdruk van haar staartje zichtbaar in het woestijnzand. Een gehaaste jackhals plaatst zijn achterpoten op dezelfde plaats als zijn voorste. Daardoor is een enkel spoor zichtbaar. Is de aaseter voldaan en kuiert langzaam door de vleien ontwaren we afdrukken van zijn vier poten. Hij laat een dubbel spoor achter. De hagedissen zijn extra alert voor roofvogels als de slangenarend. Als het een dreigende schaduw opmerkt verdwijnt het beestje terstond onder het zand. Dit sappig reptieltje is een niet te versmaden lekkernij. Om het zonder al te veel energieverlies te grijpen gooien we een lendendoek in de lucht. De schaduw van het kleinood verraad gevaar en de hagedis verstopt zich enkele centimeter onder de grond. Met mijn hand graai ik dan door het zand en verorber tevreden mijn vangst.”
De gemsbok
“Het enige grote zoogdier dat we in de woestijn kunnen verwachten is de gemsbok. Hun holle hoeven zorgen ervoor dat ze niet in het mulle zand zakken. De gemsbok of oryx kan vijfentwintig jaar worden. Haar hele leven zal ze nooit de smaak van water proeven. Ze drinken nooit. Het dier leeft solitair om sappige struiken als de struisvogelsalade niet hoeven te delen. Ze zal de plant nooit helemaal verorberen maar laat genoeg over om verdere groei mogelijk te maken. Na een maand zal ze de struik weer met een bezoek vereren om er zich gematigd aan te voeden. De mannetjes gemsbok controleert een groot gebied tussen duinen en vleien. Bij dreigend gevaar zal hij nooit vluchten. Vastberaden wacht hij op zijn belager om hem aan zijn vlijmscherpe horens te spietsen. Vrouwelijke exemplaren grazen eenzaam in de beschermde regio en ontmoeten de bokken enkel om te paren. De oryx voedt zich aan de sappige planten. Wij eten de op zijn beurt sappige gemsbok. De ogen en het bloed geeft ons voldoende vocht om een tijdje zonder water te overleven. Als we na weken honger een gemsbok schieten zullen we tot tien kilogram vlees per persoon eten. De elastische huid rond onze maag zet dan uit tot een grote dikke buik. In onze maag kan het kostbare voedsel niet meer gestolen worden door brutale Kaapse vossen, we hoeven het niet op onze schouders te torsen om mee te nemen en het kan niet meer slecht worden.”
Wijze woorden
“Nadat mijn moeder me toonde hoe ik haar voetsporen kon lezen in het rode woestijnzand nam mijn vader me apart. Hij vertelde me enkele zeer belangrijke geboden die je als woestijnbewoner moet kennen. Hij leerde me zuinige vuren te maken om hout te sparen, ontmoedigde me om vele bezittingen te vergaren die me op zouden houden in de hete woestijn en vertelde me verhalen waaraan ik moest denken als ik wakker zou worden van de ochtendkoude. Het allerbelangrijkste gebod echter was: dood nooit een moedergemsbok die een baby heeft. Zonder moeders’ hulp zal de baby sterven en nooit een volgroeide oryx worden om als voedsel voor de bosjesmannen te dienen. Elke keer ik later een oryx met kind zag lopen dacht ik aan de wijze woorden van mijn vader: schiet nooit een moedergemsbok. Toen ik jaren later na een driedaagse woestijntocht op zoek naar sappig gemsbokvlees bij mijn vrouw kwam met enkel een paar hagedisjes, lachte deze me vierkant uit. Jij grote jager! Wat is dat nu? Is dat al wat je kan meebrengen voor je vrouw? Een paar schamele hagedisjes? Jij bent een sukkel die niet eens voor zijn vrouw kan zorgen!! Ik vertrok weer op jacht. Gebukt onder de verwijtende woorden van mijn vrouw strompelde ik de duinen over. Een sukkel die niet eens voor zijn vrouw kan zorgen, een sukkel, een sukkel. Een robuuste vrouwtjesoryx kruiste mijn pad. Een baby volgde haar spoor. Hier was mijn kans. Ik een sukkel? We zullen eens wat laten zien! Toen hoorde ik de woorden van mijn vader: nooit of te nimmer een moedergemsbok doden! Maar aan de andere kant van mijn troebele hoofd hoorde ik: jij bent een sukkel die niet eens voor zijn vrouw zorgen kan. Het ging maar door: geen moeder doden, nooit een mama schieten. Sukkeljager dat je bent. Wat moet ik nu eten? Ik hield het niet meer uit en legde aan. De gemsbok voelde het gevaar en viel aan, haar kop omlaag, haar scherpe horens vooruit. Een goddelijke interventie van de maan met haar alziend oog hielp me echter en zorgde ervoor dat mijn voeten vleugels werden. Op die manier werd ik gered. Ik heb echter een hele belangrijke les geleerd. Laat nooit iemand je de oren sluiten voor de wijze woorden van je vader. Ook niet de zoete woordjes van een vrouw.

1 Reactie
Dat is een heel mooi verhaal Frank! Goed dat je hebt kunnen horen en kunnen opschrijven. Bedankt!
liefs,
remi