Sinds Hans Meyer in 1889 voor het eerst de Afrikaanse reus bedwong, hebben heel wat mensen een poging ondernomen om de sneeuw op de evenaar te bereiken. Terwijl het in de eerste helft van de vorige eeuw bij een handvol avonturiers en natuurvorsers bleef, werd het al gauw een uitdaging voor velen.
Er heerst een chaotische drukte en een wat zenuwachtige sfeer bij de Machame poort. Tientallen klimmers staan in groepjes bij elkaar. Een tikkeltje nerveus wisselen we informatie uit over onze laatste nachtrust, de kwaliteit van onze gloednieuwe schoenen en het wel of niet meenemen van gamashen.
We staan aan het begin van de beklimming van de ‘Afrikaanse reus’, de Kilimanjaro. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, is Kilimanjaro niet één vulkaan, maar een massief dat uit drie kraters bestaat. De meest bekende krater is de met eeuwige sneeuw bedekte Kibo. Met zijn 5895m hoge Uhuru Peak is het de hoogste van de drie kraters en de hoogste van het continent. Minder bekend is Mawenzi Peak. Deze krater ten oosten van Kibo is veel jonger, wat duidelijk te zien is aan zijn dramatische vormen. Zijn vlijmscherpe pieken geven Mawenzi een ongastvrije indruk. De oudste van de drie vulkanen is Shira. Deze oude caldera is in de loop der tijden tot een plateau verworden dat ten westen van Kibo boven het regenwoud uitsteekt.
Gids met managerskwaliteiten
Onze hoofdgids Dismas, een oude rot in het vak, flitst heen en weer tussen het registratiekantoortje en zijn team. Hij is een man met moderne managerskwaliteiten. Dat moet ook wel want hij zal de komende zeven dagen een beklimming leiden met zeventien deelnemers en een veertigtal dragers, koks en assistent-gidsen. Alle kandidaten die deel willen uit maken van een expeditiecrew moeten geregistreerd staan bij de parkautoriteiten. Dit orgaan houdt toezicht op hun kennis en ervaring, maar er wordt ook gelet op misbruik en slechte behandeling van de gidsen.
Cypriane, één van de assistent-gidsen, komt zich voorstellen. Net als onze hoofdgids is hij een oude rot en dat is te zien aan zijn door zon, regen en wind verweerde gelaat. Terwijl Dismas zich bezig houdt met de laatste administratieve en organisatorische beslommeringen kunnen wij onder leiding van Cypriane de eerste tocht aanvatten. “Pole, pole, hapana haraka”, lachen de dragers. “Langzaam klimmen, niet te snel”, verduidelijkt Cypriane. Deze uitspraak zal de volgende dagen de status van een klassieker verkrijgen.
Whiskey en coca cola
Daar gaan we, op weg naar de top via de Machame route. Populairder is nog steeds de Marangu route. Deze huttentocht, die vanwege zijn relatieve makkelijkheid wel eens smalend de ‘Coca Cola-route’ wordt genoemd, leid je in een vijftal dagen van het dorpje Marangu naar Uhuru Peak en terug. Omdat de klimmers in hutten overnachten is de heen- en terugweg via hetzelfde pad. Dit in tegenstelling tot onze route, de ‘whiskey-route’. Steeds meer actieve wandelaars kiezen voor dit pittigere alternatief. De trekking duurt weliswaar enkele dagen langer maar dat resulteert in een betere acclimatisatie en daardoor een grotere kans om de top te bereiken.
Een oud wagenspoor leidt ons het regenwoud in. De onmiddellijke pracht van de majestueuze bomen en het in verschillende groentinten gekleurde bladerdak doen me mijn aanvankelijke nervositeit vergeten. Ook het feit dat de hellingsgraad op dit stuk best meevalt helpt daarbij. Ons doel voor vandaag is Machame kamp op drieduizend meter. Na een uurtje houdt het wagenspoor op en maakt plaats voor een aangelegd en goed onderhouden wandelpad. Dit weggetje, omzoomd met uitgegraven watergeulen, zorgt ervoor dat er tijdens hevige regenval toch door het woud getrokken kan worden zonder kniediep in de onvermijdelijke modder te zakken.
Sprookjesbos
Baardmossen die de natte woudreuzen versieren geven het geheel de mysterieuze sfeer van een sprookjesbos. We passeren kristalheldere riviertjes met klaterende watervallen. Franjeapen lachen ons uit van op veilige hoogte en felgekleurde toerakoes springen van tak tot tak maar vliegen weg als we dichterbij komen. Een antennemast die we van ver door het gebladerte zien priemen doet ons beseffen dat we het eerste kamp bereikt hebben. De tentdragers die het kamp voor ons bereikten zijn druk in de weer met het opstellen van de slaaptentjes en de eetshelter. De koks dragen al gauw dampende thee en popcorn aan en niet veel later vergasten ze ons op een voedzame maaltijd van soep en pasta. We worden verwend.
De ochtend van dag twee is het alweer Cypriane die verzamelen blaast. Terwijl de hoofdgids zich de eerste dagen vooral bezig houdt met het delegeren van zijn team, is het zijn secondant die de trekking leidt. We volgen een steil klimmend pad het regenwoud uit. De vegetatie wordt dunner. Woudreuzen maken plaats voor stekelige struiken, nog steeds behangen met baardmossen. Dan klimmen we de afro-alpijnse zone in. We trekken langs rotsen met korstmossen en zien honingzuigers nectar smullen van reuze lobelia’s. De grond is bezaaid met lage struiken en borstelig gras waarin gestreepte muizen verstoppertje spelen. Zwarte raven met witte nek vliegen rakelings over ons heen.
Optimaal acclimatiseren
Als we bij Shira kamp op 3840 meter aankomen is het nog vroeg. Daar maken we dankbaar gebruik van om na de lunch – heel erg pole pole – tot tweehonderd meter hoger te wandelen en optimaal te acclimatiseren. We kijken neer op het Shira plateau, de oudste van de drie vulkanen.
De volgende drie dagen traverseren we de hele zuidkant van Kibo van west naar oost. Regelmatig dalen we af tot bij riviertjes die gevoed worden door de hoger gelegen gletsjers. Daarna is het weer steil klimmen tot boven de groengrens. Als het wolkendek opentrekt worden we getrakteerd op prachtige zichten van Kibo’s zuidelijke gletsjers. In het westen ontwaren we Kilimanjaro’s zusje Mount Meru.
De derde nacht kamperen we in Baranco kamp op 3950 meter. De kleine hoogteverschillen tussen de laatste kampen zorgen voor een degelijke aanpassing aan de hoogte. Na Baranco staat er een technisch klimpartijtje op het programma. Touwen of haken zijn niet nodig maar handen- en voetenwerk komt er toch aan te pas. Na een laatste steile afdaling tot in de Karanga vallei, gevolgd door een even steile klim, arriveren we uitgeput bij Karanga kamp op 4200 meter. Het is de avond van dag vier. Dit kamp staat niet op het normale Machame programma maar wordt vaak ingelast als extra nacht om te acclimatiseren alvorens naar het hoogste kamp en verder naar de top te klimmen.
Buiten adem
Dismas neemt nu de leiding van de klimploeg over. Hij positioneert zijn assistenten tussen de klimmers in en geeft hen de opdracht ons goed in de gaten te houden. Mogelijke symptomen van hoogteziekte moeten snel waargenomen worden zodat maatregelen getroffen kunnen worden. De wandeling van Karanga kamp tot Barafu kamp op 4600 meter is niet erg vermoeiend maar de hoogte eist zijn tol. Mijn hart klopt in mijn keel en ik ben volledig buiten adem. Regelmatig wordt er halt gehouden. Een paar honderd meter naar het oosten torent Mawenzi Peak boven de wolken uit. We wandelen nu door een rotsig landschap met veel lavagruis.
Bij Barafu staan de tenten zoals altijd weer klaar. Dismas raadt ons aan na de lunch nog wat van de zon te profiteren en na een vroeg avondmaal de tent op te zoeken om enkele uurtjes proberen te slapen. Vannacht om twaalf uur beginnen we aan de aanval naar de top. Ik duik erin en val verassend genoeg snel in een diepe slaap.
Het gewroet en gepraat van de andere klimmers maakt dat ik voor mijn wekker wakker ben. De zenuwen gieren blijkbaar weer door ieders lijf. Ik wurm me in zeven lagen kleding en trek de veters van mijn bergschoenen extra aan. De koks staan klaar met warme thee. Dismas checkt ieders uitrusting en brieft zijn assistenten. De karavaan vertrekt. De witte gletsjers boven ons worden door de maan verlicht. Het lijkt erg ver. Veel wordt er niet gepraat. Alle deelnemers lijken vooral met zichzelf bezig. Dismas loopt langs de klimmers om te kijken hoe het gaat en deelt bemoedigende schouderklopjes uit.
Twee stappen omhoog, een omlaag
Na een steile klim over wat rotspartijen gaat het verder over een plateau. We vorderen erg traag maar dat is dan ook de bedoeling. Rond vier uur ’s ochtends wordt het steenkoud. Ik trek wat extra kleding aan. We komen bij de gevreesde steile steengruishelling die ons tot Stella Point op de kraterrand moet leiden. Twee stappen omhoog, één omlaag. Leunend op mijn wandelstokken rust ik uit. Uitgeput, met lichte hoofdpijn en een beetje misselijk sleur ik me de kraterrand op. Ik voel mijn hart kloppen in borst en pols als ik buiten adem Stella Point bereik, 5700 meter.
Ver in het oosten, voorbij Mawenzi Peak kleurt de horizon langzaam rood. Ik voel plots een figuurlijke injectie motivatie. Terwijl het langzaam licht wordt, trekken we in een lange sliert over de kraterrand. De gletsjermuren zijn enorm. De uitzichten over de krater zijn onaards. En daar, in dit onwereldse landschap, zie ik plots het van foto’s bekende houten bord staan. ‘Gefeliciteerd, je bent nu op Uhuru Peak, 5895 meter.’ De mensen snikken en de lenzen klikken. In stilte tuur ik door mijn tranen naar de vier windrichtingen. Hier op het dak van mijn geliefde continent voel ik me plots intens gelukkig.
Dit artikel werd gepubliceerd in Te Gast In Tanzania oktober 2007 onder een redactie van Suzanne Heut
